Human beings come first: een mentaliteitsverandering rondom speciesisme


Mensen komen eerst, dat is hoe wij denken. Dat wij dit denken, heeft ernstige gevolgen voor onze behandeling van dieren. Het kan zo niet langer en we zijn nodig toe aan een mentaliteitsverandering. Voordat ik echter mijn mening kan geven over speciesisme en je ervan kan proberen te overtuigen dat het zo niet langer kan, moet ik eerst uitleggen wat het inhoudt.

Speciesisme is het in soorten denken. Een speciesist verkiest zijn eigen soort boven alle andere soorten ten alle tijden. Waarschijnlijk valt je nu meteen de parallel op, die Peter Singer ook onderstreept in Animal Liberation (1990), met racisme. Racisme is dat je jouw eigen ras of een bepaald ras boven een ander ras stelt, zoals vroeger ‘de blanken’ ‘de zwarten’ zagen als minderwaardige beesten die niet in staat waren te denken als zij en daarmee rechtvaardigden zij de behandeling die deze zwarten, in dit geval de slaven, ondergingen.

Racisme wordt door onze huidige westerse normen en waarden niet langer getolereerd, terwijl we het in feite nog steeds beoefenen, alleen niet langer op mensen met een andere huidskleur, maar op niet-menselijke dieren. We behandelen dieren alsof ze geen gevoel hebben, voeren tests op hen uit, fokken hen in grote getale om ze vervolgens te doden en op te eten of we buiten ze uit voor ons persoonlijke vermaak. Bovendien erkennen we ze niet als gelijke, terwijl ze dat wel degelijk zijn. Met ‘gelijke’ bedoel ik niet dat we ze allerlei rechten moeten gaan geven waar ze toch niets aan hebben, zoals stemrecht, maar we moeten erkennen dat niet-menselijke dieren kunnen lijden en zij daarom ook bepaalde belangen hebben. Zij kunnen zelf niet voor die belangen opkomen en daarom moeten wij dat doen. Voordat ik echter op de huidige situatie van speciesisme inga, wil ik teruggaan naar Darwin.

De mens stamt af van een aap, dat is wat Darwin eigenlijk wilde verwoorden met zijn Origin of Species in 1859, maar pas een paar jaar later publiceerde in The Descent of Men in 1871. Nu accepteren we de evolutietheorie, maar toen was er nogal veel verzet en de theorie werd ook op uiteenlopende wijze geïnterpreteerd. Darwin wilde eigenlijk helemaal geen revolutie veroorzaken, maar toch konden zijn bevindingen nergens anders voor zorgen. In feite relativeert Darwin de positie van de mens in de natuur enorm, hij plaatst de mens onder de dieren. Toch bleven critici weerstand bieden tegen het idee dat de mens een ‘bruut dier’ zou zijn. Paul Cliteur schrijft in Darwin, dier en recht (2001) dat er in feite drie mogelijke reacties waren op de evolutietheorie van Darwin. De allereerste is de traditionele positie, deze gaat er vanuit dat de theorie van Darwin ons mensen ‘verlaagt’ tot dier, hier kan je ofwel hard om lachen en het niet serieus nemen, ofwel kan je de mens continu vergelijken met dieren en tot het besef komen dat al onze handelingen in feite ‘dierlijke’ handelingen zijn. De tweede reactie die op Darwins theorie mogelijk is, schrijft Cliteur, is dat de mens gewoon hetzelfde blijft door het morele besef dat wij hebben. Dieren hebben geen moreel besef, geen redelijkheid, geen waardigheid en daardoor blijven wij mensen gewoon op die verhoging staan. Wij zijn geen dieren. Als derde reactie geeft Cliteur weer dat Darwin zijn leer eigenlijk niet bedoelde als verlaging van de mens, maar als verhoging van het dier. Het dier zou meer onze gelijke moeten worden, omdat het dier op ons lijkt en toch gemeenschappelijke eigenschappen heeft met de mens. Deze visie was niet aloverheersend in Darwins tijd, maar tegenwoordig krijgt het steeds meer aanhang. Als je deze interpretatie van Darwin zou accepteren, dan zou dat betekenen dat we dieren heel anders moeten gaan behandelen. De gevolgen zijn namelijk dat dieren in feite heel erg op ons lijken en de verschillen tussen de soorten niet vast staan, maar zoals Cliteur schrijft, overbrugbaar zijn. Eigenschappen die tot dan toe de mens alleen toebehoorden, behoren nu ook tot eigenschappen van dieren. De acceptatie van dit alles zou het begin van een morele en ethische revolutie moeten betekenen waardoor het speciesisme van de aardbodem zou verdwijnen, maar dat is niet het geval.

Zoals je weet, leven wij tegenwoordig immers niet in alle gelijkheid samen met dieren. Ons recht is nog steeds gebaseerd op de mens, we bekijken alles vanuit ons menselijke standpunt en er is kortom nog geen einde aan de Darwiniaanse revolutie gekomen.

In Animal Liberation (1990) schrijft Singer dat we de belangen van dieren moeten erkennen en hiernaar moeten handelen door speciesisme uit onze mentaliteit te elimineren op basis van het principe van gelijkheid dat dieren pijn en plezier ervaren. Singer beargumenteert op basis van drie argumenten dat dieren pijn kunnen lijden. Allereerst geeft hij aan dat we vanuit het gedrag af kunnen lijden dat ze pijn ervaren. Wanneer je immers op de poot van een dier staat, zal het een jammerlijk geluid maken en zo uitten dat het pijnt voelt. Daarnaast lijkt het zenuwstelsel van een dier op bepaalde cruciale punten enorm veel op het onze, dus werkt ook het zenuwstelsel hetzelfde als het onze en zullen ze pijn kunnen voelen. Als laatste geeft Singer aan dat dieren net als wij pijn hebben ontwikkeld als nuttig instrument om gevaar te constateren of om bijvoorbeeld iets te leren. Vooral zoogdieren en vogels hebben bijna exact hetzelfde systeem ontwikkeld om pijn te voelen als wij. Pijn heeft dus net als bij ons mensen een evolutionair nut voor de dieren.

Singer poneert het tegenargument dat het principe van gelijkheid helemaal niet opgaat voor dieren, omdat ze geen zelfbewustzijn hebben. Dieren zijn immers lang niet zo intelligent als mensen. Dat is ook zo, maar dat betekent nog niet dat je hun levens niet hoeft te respecteren of hun belangen niet hoeft te behartigen of dat het principe van gelijkheid, dat erop is gebaseerd dat iets of iemand kan lijden niet, opgaat. Je moet dieren ook geen rechten geven, maar in ieder geval stoppen met de behandeling van hen als dieren die niet kunnen lijden, want ze voelen pijn en hebben behoefte aan sociaal gedrag. Bovendien zijn de intellectuele vermogens van de slimste dieren gelijk aan of misschien wel hoger dan die van een baby, geestelijk gehandicapte of dement mens. Zou je hen dan ook ‘als beesten’ mogen behandelen?

Omdat dieren pijn kunnen voelen en omdat we niet speciesistisch mogen denken, moeten we hen hetzelfde behandelen als we ons eigen soort behandelen. Daarom mogen we, als dieren op hetzelfde mentale niveau zitten als bijvoorbeeld een baby, dieren niet meer pijn doen als we naar verhouding een baby pijn zouden doen. Singer geeft het voorbeeld van een paard en een baby. Bij een kleine tik ervaart de baby het als pijnlijk, maar het paard zal het nauwelijks voelen. Als je het paard echter slaat met een stok, zal het misschien even hard aankomen als wanneer je een baby slaat. Als je een baby nooit zou slaan, zou je een paard ook nooit mogen slaan met een stok.

Het is echter moeilijk om het ervaren van pijn tussen soorten dieren te vergelijken, maar als we eens zouden beginnen met het vermijden van pijn bij andere soorten dieren dan ons eigen soort zou dat al een goed begin zijn van een enorme mentaliteitsverandering. Als we dus speciesisme schrappen uit onze mentaliteit betekent dat niet dat wij alle levens van alle soorten dieren gelijk moeten stellen aan elkaar. We zijn moreel verplicht om dieren naar verhouding volgens het principe van gelijkheid op zo’n manier te behandelen dat we hun belangen behartigen.

Peter Singer signaleert ook een aantal fundamentele problemen in onze samenleving waardoor wij speciesistisch blijven denken en deze mentaliteitsverandering niet kan worden doorgevoerd. Als opgroeiend kind leer je om van dieren te houden. Je hebt ze als huisdier of als knuffel en je gaat naar de kinderboerderij. Tegelijkertijd krijg je van je ouders aangeleerd dat je vlees moet eten, zonder dat je doorhebt dat dit van diezelfde lieve dieren komt. Kinderen leren immers niet dat wat ze elke dag voorgeschoteld krijgen in feite de lijkjes zijn van al die pluizige lieve vriendjes. Vaak is de vleestraditie in huis ook zo ver doorgevoerd dat kinderen erg moeilijk vegetarisch kunnen worden terwijl ze nog thuis wonen, want dan krijgen ze vaak ruzie met hun ouders of moeten er aparte maaltijden worden gekookt en levert het alleen maar problemen op.

Singer schrijft ook dat er veel te weinig aandacht door de media aan dit onderwerp wordt gegeven, waardoor mensen zich niet bewust zijn van hun speciesistisch houding of het leed dat dieren overal ter wereld wordt aangedaan. Ook vormen de dierenorganisaties zelf een probleem, vooral vroeger waren dierenorganisaties niet zo extreem in hun eisen. Ze namen genoegen met een beetje vooruitgang, want dat was nog altijd beter dan geen vooruitgang. Tegenwoordig zijn de dierenorganisaties al een stuk vooruitgegaan en proberen ze de schending van de belangen van dieren onder de aandacht te brengen van het grote publiek.

Het grootste obstakel is echter de mentaliteit van de mensen. Peter Singer omschrijft die mentaliteit als “human beings come first” (Singer, 1990, p. 219). Mensen denken speciesistisch en willen alleen maar dat hun soort met hun belangen voorop staan. Mensen gebruiken dit motto als excuus om geen aandacht te schenken aan de problematiek rondom dieren, want we hebben zelf al zoveel problemen. Het is echter tegenwoordig niet moeilijk om naast dat je je bezighoudt met menselijke problemen, je ook in te zetten voor de boycot van dieronvriendelijke producten en instanties. Ook zeggen veel mensen dat leden van dierenorganisaties zich meer om dieren bekommeren dan om mensen, terwijl veel voorvechters van mensenrechten ook voorvechters zijn van dierenrechten en in die dierenorganisaties zitten. Mensen die dieren op een gruwelijke wijze behandelen, wimpelen de kritiek vaak af door te zeggen dat de dieren geen mensen zijn. Dat is geen argument om dieren zo te behandelen en een erg speciesistisch standpunt. Het is zo dat dieren anders zijn dan mensen, maar dat betekent nog niet dat zij geen sociale vaardigheden hebben, geen pijn kunnen voelen en geen plezier ervaren. Dat betekent nog niet dat het principe van gelijkheid bij hen niet opgaat. Het gaat om het morele principe dat hun belangen net zo belangrijk zijn als de onze en ook behartigd moeten worden.

In Darwin, dier en recht (2001) wijst Paul Cliteur ons erop dat de behandeling van dieren tegenwoordig wellicht onze ‘morele blinde vlek’ zal zijn in de toekomst. Hij bedoelt hiermee dat de behandeling van dieren zoals die nu is in de toekomst zal gezien worden als onacceptabel en immoreel, kortom slecht gedrag. Net als dat wij tegenwoordig naar de slavernij kijken en onze hoofden schudden of naar de vrouwenrechten en niet begrijpen hoe het komt dat vrouwen al die tijd als tweederangsburgers werden behandeld, zo zullen ze later kijken naar onze behandeling van dieren. Ik vind dit een moeilijk punt, mede door iets dat ik heb gelezen in John Maxwell Coetzee’s Dierenleven (1999). Dit is een fictief verhaal over een zoon en zijn moeder. De moeder is inmiddels een oude vrouw die heel wat prachtige en hooggewaardeerde boeken heeft geschreven, maar die zich tegenwoordig inzet voor de rechten van de dieren. Zij komt een paar dagen bij haar zoon en zijn vrouw logeren, omdat ze op zijn universiteit een paar colleges gaat geven over dit onderwerp. Na het eerste college krijgt de moeder een brief van een professor van de universiteit die bezwaar maakt tegen het feit dat zij de behandeling van dieren vergelijkt met de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hier volgt een fragment daarvan:

De joden zijn als koeien gestorven en dus sterven koeien als joden, zegt u. Dat is een spel met woorden dat ik weiger te aanvaarden. U interpreteert de aard van gelijkenissen verkeerd; ik zou zelfs zeggen dat u die moedwillig, op het godslasterlijke af, verkeerd uitlegt. De mens is geschapen naar Gods gelijkenis, maar God gelijkt niet op de mens. Als joden als vee werden behandeld, wil dat niet zeggen dat vee als joden wordt behandeld. De omkering is een belediging aan de nagedachtenis van de doden. Bovendien is het een goedkope manier om de verschrikkingen van de kampen te gebruiken. (Coetzee, 2001, p.59)

Dit vind ik een veelzeggend stukje tekst. Hoewel ik een dierenvriend, met twee konijnen die vrij rondhuppelen in de tuin en een lieve kater die bij mij in bed slaapt, en vegetarisch ben, vind ik dat deze man hier een punt heeft. We moeten de belangen van dieren erkennen, maar ik vind niet dat we zover kunnen gaan en hun dood gelijkstellen aan de dood van miljoenen mensen. Ik vind dat we dit in verhouding moeten zien en die gelijkenis niet mogen trekken. Als je zou moeten kiezen tussen de dood van een varken of de dood van een menselijke baby, dan zou je kiezen voor de dood van een varken, puur uit het feit dat het varken geen mens is. Misschien is dit zelfs een speciesistische visie die ik nu poneer, maar dit is wel het conflict dat er dan ontstaat.

Tot hoever moeten we de dieren zien als onze gelijke? Kunnen we ze dan ook niet meer houden als huisdier, omdat ze dan niet onze gelijke, maar onze mindere zouden zijn in zo’n situatie? Dat zijn vragen die dan bij mij opkomen en waarop ik zelf wel een antwoord weet. Ik denk namelijk dat Peter Singer dit probleem ook constateert en ik wil zijn lijn van betoog dan ook aanhouden. Wij moeten opkomen voor de belangen van dieren en stoppen met deze belangen te schenden op basis van het principe van gelijkheid, dat zij ook, net als mensen, pijn voelen en plezier ervaren, maar dit moeten we wel in verhouding zien. Zo kunnen we het principe van gelijkheid voor dieren gewoon toevoegen aan een van de vele problemen die bestaan op deze wereld, zoals honger, aids en oorlog. Zodat we dit probleem van speciesisme kunnen bestrijden, maar dan wel samen met de andere problemen die voorkomen in onze menselijke maatschappij. We moeten dieren niet boven de mensen stellen, maar wel hun belangen behartigen voor zover wij dat kunnen.

Literatuurlijst

Cliteur, P. (2001). Darwin, dier en recht. Amsterdam: Boom.

Coetzee, J.M. (2001) Dierenleven. (J. van Helmand & F. van der Wiel, vert.). Amsterdam: Ambo. (Oorspronkelijke uitgave 1999)

Singer, P. (1990). Animal Liberation. London: Cape.

Advertisements
  • Trackback are closed
  • Comments (0)
Comments are closed.
%d bloggers like this: